Het Turks wordt gesproken door circa 250 miljoen mensen over de hele wereld. Het is de taal van het volk dat eeuwenlang als nomaden heeft geleefd en, sinds zij het paard heeft getemd, zich over grote delen van het Eurazitaisch continent heeft verspreid. De gebieden waar de Turken hedendaags wonen zijn de Balkan regio, het Wolga-Oeral gebied, het Midden-Oosten, de Kaukasus, Centraal-Azië en Siberië. Tegenwoordig leven ook in West-Europa vele Turken, waaronder ongeveer een half miljoen In Nederland.

Voor Nederlanders is het Turks geen gemakkelijke taal om te leren. De woorden klinken niet bekend en de grammatica lijkt niet op die van het Nederlands of andere talen die ons wel bekend zijn. Het is een taal die niet behoort tot de Indo-Europese taalfamilie maar tot een andere taalfamilie, namelijk de Oeral-Altaïsche. Tot deze taalfamilie behoren talen zoals Japans, Koreaans en Mongools, maar ook talen zoals het Fins en Hongaars.

Laten we ter verduidelijking een simpele zin nemen en kijken naar de zinsopbouw van Turks en een vergelijking maken met het Nederlands en Engels:

De jongen gaat naar huis.

The boy goes (to) home.

Oğlan eve gidiyor.

We zien dat bij het Nederlands en Engels alleen de woordjes anders zijn. Verder is de zinsopbouw hetzelfde.

Bij het Turks echter staat letterlijk “De jongen (oğlan) huis (ev) naar (-e) gaat (gidiyor).”

Laten we nu een kleine wijziging in de zin aanbrengen en kijken wat er veranderd.

De jongen zal naar huis gaan.

The boy will go home.

Oğlan eve gidecek.

Bij het Nederlands komt het hulpwerkwoord ‘zullen’ erbij en verplaatst het werkwoord ‘gaan’ aan het eind van de zin.

Bij het Engels zien we dat ‘goes’ is veranderd naar ‘will go’.

Bij het Turks echter zien blijkt alleen het achtervoegsel na ‘gid-’ te zijn veranderd. Het achtervoegsel voor de tegenwoordige tijd -İyor heeft plaatsgemaakt voor het achtervoegsel voor de toekomende tijd –(y)EcEK. Verder is alles in tact gebleven.

Het Turks is een ‘agglutinerende’ taal ofwel een plaktaal. De stam van het woord is altijd terug te vinden. Hierachter kunnen achtervoegsels worden toegevoegd om nieuwe woorden te maken. Dit geldt zowel voor naamwoorden als voor werkwoorden.

Een ander kenmerk van het Turks is de klinkerharmonie. De klinkers van de achtervoegsels worden zodanig toegevoegd dat de laatste klinker van het woord bepaalt hoe de klinkers van de achtervoegsel er uit moeten zien.

Ten slotte kent het Turks, in tegenstelling tot het Nederlands, geen verschil in grammaticaal geslacht (mannelijk, vrouwelijk en onzijdig) en heeft geen bepaalde lidwoorden. Het kent alleen het onbepaalde lidwoord ‘bir’ (een).